a | A
Omgangskunde
  1. Kennis en inzicht
    • De verzorgende/zorgkundige kan: 
      1. De menselijke behoeften omschrijven
      2. de motorische, cognitieve, sociale en emotionele kenmerken van de voor het beroep belangrijke fasen in de menselijke ontwikkeling opsommen 
      3. de aandachtspunten bij het (ped)agogisch handelen voor de verschillende levensfasen opnoemen
      4. afwijkende / problematische gedragingen waarmee hij geconfronteerd wordt in zorgsituaties omschrijven
      5. de basisbegrippen aanduiden die essentieel zijn om het gedrag van de zorgvrager te omschrijven, te begrijpen en te interpreteren
      6. de verschillende invloeden op het gedrag van de zorgvrager verwoorden
      7. de elementaire eigenschappen en vaardigheden opsommen voor een goede gespreksvoering
    • De verzorgende is zich bewust van de belangrijkheid van het team, van zijn eigen verantwoordelijkheid en van de belangrijkheid van zijn rol in het team om tot een integrale hulpverlening te komen
       
  2. Vaardigheden
    • De verzorgende/zorgkundige kan:
      1. methodisch omgaan met zorgvragers, hij kan binnen zijn kwalificatiebevoegdheden en onder verantwoordelijkheid concrete afspraken van een team mee helpen plannen, acties helpen uitvoeren, het resultaat nagaan, fouten en tekorten opsporen en remidiëren
      2. (ped)agogisch methodes toepassen die relevant zijn voor het oplossen / aanpakken van problemen m.b.t. de zorgvrager
      3. aan de hand van observatiegegevens een aangepaste actie plannen binnen de grenzen van de eigen verantwoordelijkheid
      4. elementaire beroepsgerichte omgangsvaardigheden hanteren
      5. een sfeer scheppen van geborgenheid, warmte en veiligheid waar de zorgvrager zichzelf mag zijn
      6. adequate hulp bieden bij eventuele moeilijkheden met betrekking tot de verschillende doelgroepen
      7. activiteiten voorbereiden, organiseren, begeleiden, uitvoeren en evalueren, aangepast aan de leefwereld en de mogelijkheden (ontwikkeling) van de zorgvrager
      8. meewerken aan de organisatie van animatie- en expressie- activiteiten voor een bepaalde doelgroep
      9. stimuleren tot verdere ontwikkeling en werkt mee aan het scheppen van gunstige voorwaarden (aandacht schenken, sfeer creëren van geborgenheid, veiligheid) die leiden tot zelfontplooiing, zelfinstandhouding en zelfbepaling
      10. samenwerken in teamverband en met het totale cliëntsysteem
         
    • De verzorgende/zorgkundige observeert gericht, verwerkt nauwgezet observatiegegevens en rapporteert in eenvoudige bewoordingen op de juiste manier
    • De verzorgende/zorgkundige ontdekt en ontwikkelt het eigen expressief en creatief gedrag
    • De verzorgende/zorgkundige is communicatief t.o.v. leidinggevenden, collega’s en ouders/familie
       
  3. Attitudes
    •  De verzorgende/zorgkundige benadert de zorgvrager als een uniek en globaal individu, hij toont eerbied voor de eigenheid van het individu, zijn mogelijkheden en tekorten. Hij speelt spontaan in op de individuele noden zodra de zorgvrager het zelf nodig heeft of het zelf wil
    • De verzorgende/zorgkundige ontwikkelt een eigen houding die zich kenmerkt door: een grote mate van tolerantie met betrekking tot mens-, leef-, maatschappelijke visies
    • De verzorgende/zorgkundige is gericht op nauwkeurigheid, objectiviteit, opmerkzaamheid en verantwoordelijkheid
    • De verzorgende/zorgkundige heeft:
      • een rustige, verdraagzame, geduldige houding; hij heeft spontaan aandacht, hij heeft een effectieve band, zonder zich erin te verliezen. Hij kan troosten, gaat in op gevoelens en heeft een grote flexibiliteit
      • een ruim inleefvermogen en geeft blijk van diepe menselijkheid. Hij heeft aandacht voor allerlei contactmogelijkheden (oogcontact, fysisch contact,..)
      • spontaan aandacht voor privacy en respecteert het beroepsgeheim op een tactvolle manier, zowel binnen als buiten de werksituatie
      • respect voor een andere levensvisie
      • De verzorgende/zorgkundige toont begrip voor de eigen inbreng van de zorgvrager